Geplaatst op 10-5-2006 om 21:47
Onlangs zat ik in de zon op een hoge rots voor de grot, waar mijn leermeester Pangloss Platoon nog iedere dag gemoedelijk toelacht ? maar vereert.
Beneden in de groene vallei bevond zich tussen de rotsen een troep jonge wolven, gepluisd en grijs als het haar van mijn leermeester Pangloss.
E?n viel me op door haar huppelend, vrolijk, ontdekkend gedrag, met haar ogen die fel oplichtten wanneer zich een voorwerp in hen spiegelde of zich plotseling, naar het scheen, een gedachte aan haar opdrong. Ook had zij vragen, en uit elke ontsproten weer nieuwe, zo veel en verscheiden dat Fibonacci er geen raad mee had geweten.
?Maar waarom?, vroeg ik mijn leermeester Pangloss, ?zijn de ogen van die energieke wolvin soms zo duister en hatend, wanneer zij eventjes leeg zijn??
?Dat komt omdat?, antwoordde mijn leermeester Pangloss, ?alle anderen ? zie! -, zo in haar tegendeel, helaas niets anders zien dan ellende. Hun ogen zijn somber, altijd, hun verzwakte lichaam heeft nooit geleerd zich te dwingen, hun geest niet te leven, hun haren niet te wapperen. Zie je dan niet hoe ze klitten en dof zijn, geheel niet passend bij hun leeftijd? Zie je hoe hun tongen slap uit hun bekken hangen, het ontwend om zich te oefenen in het spreken van welke betekenishebbende morphen van de syntaxis dan ook? Zie je hoe hun lichamen voortdurend onder de bomen in de schaduw liggen, onbekend met het tintelend genot van verlichtende stralen, onbekend met de zinderende geestelijke passie? Nu de reden, proficiens mea, waarom de tegengestelde die duistere blik toont. Steeds wanneer zij zich waagt in de buurt van de bomen, om enthousiast en oprecht te vertellen over wat zij van het zijnde en wordende en verschijnende heeft leren kennen, of om zelf eens te liggen uit nieuwsgierigheid om alles te ervaren, ontbloten de anderen hun tanden en stijgt een gegrom en gesis op; en aangezien de oprechte bijzonder fijngevoelig is en haar zintuigen getraind zijn, zoals we gezien hebben, en zij geen beet nodig heeft om pijn te kunnen ervaren, verbleekt zij zo mogelijk nog meer en waadt zij door het kille meer der minachtende blikken bedroefd terug in de allesverheugende zon?.
?Mijn leermeester Pangloss?, zei ik geschokt, ?wat voor een onrecht, wat kunnen we doen? Ik kan slechts twee dingen bedenken: die anderen meesleuren het zonlicht in, of de eenzaamheid van de oprechte verlichten door haar nu hierheen te halen?.
?Geen van beide?, sprak leermeester Pangloss, ?want een beet in ons lijf is nadelig, zowel van levensmoede zieken als van een wantrouwende afgewezene; neen, wij kunnen slechts hopen dat de al te vlugge poten van de wolvin haar niet zullen doen struikelen, maar dat zij, zichzelf voorbijrennend, haar zullen laten gaan in een grote sprong om in een minder stoffelijke vorm onze rots te bereiken?.